De baggelaar is
hoornzwart, een kolenzak
ka, raaf maar vooral somber
geschilderd.
De kelner een zwarthemd, een zwartje
en
ruwkoper die zweert met een zweep.
De geschrokken dronkaard
slaat gade
ginds,
daar
raak hem.
Verstoor, bemors
ik de simaar.
Geen aanslag maar wat hij verdient.
Aaskraai
van het recht is een gipsen gelaat.
Een duik in het pierenbad
zonder zwemkleed.
Hij morst goed en kwaad.
“Goed en kwaad
morst hij”.
Met noordenwind kijkt hij de wereld in.