met ‘Monsters en de vrije wil'(Mary Shelley,E.T.A. Hoffmann,Turing,Kant)van Ger Groot uit het boek ‘De geest uit de fles'(Hoe de moderne mens werd wie hij is). ‘Maar naders dan bij Descartes zijn dat geen inhoudelijke ideeën;het zijn structureringsprincipes,een soort mallen,operators of – zoals gezegd – logische vormen. Deze zijn aan de loutere empirie ontheven:niet omdat ze een goddelijke oorsprong zouden hebben,zoals bij Descartes,maar omdat ze logisch aan elke empirie voorafgaan. Men ontdekt ze niet door metafysische speculaties,maar door een nauwkeurige analyse van de waarneming zelf en van de vraag wat noodzakelijk is voor zoiets als waarneming:wat zijn de bestaansvormen daarvan? Deze analyserende benadering,uitgaande van het bestaande,is kenmerkend voor de nieuwe gestalte die de filosofie gaat aannemen en waarin de metafysica (ken)kritiek wordt. Er wordt niet gevraagd naar een hoger beginsel boven deze werkelijkheid (het goddelijke of transcendente),maar naar iets wat logisch verondersteld moet zijn ten aanzien van die werkelijkheid zoals ze aan ons verschijnt,wil ze dat kunnen doen zoáls ze het doet. Daarom spreekt Kant hier van ’transcendentale’ principes. Ze zweven niet boven de werkelijkheid,maar overschrijden die als het ware ruggelings. We redeneren achterwaarts van wat is terug naar wat dus wel moet zijn.'(bladzijde 76)Wordt vervolgd. Verder met de reeks ‘O de aarde’ van H.C. ten Berge uit de bundel ‘Splendor’. ’11////Het bloed gestold,/ het lijf verzaakt./Het hart rouwt/ om verkwiste levens/en wordt diep geraakt/ door wat verdwijnt.///Wat zuigt het leeg,/ wat dringt steeds door/tot in de vezels van mijn wezen,/ alsof een appelboor/het klokhuis van mijn romp/ heeft uitgehold -‘(bladzijde 29) De reeks is nog niet af. Wordt vervolgd. Nu weer verder met het gedicht ‘jazz and poetry’ van Lucebert uit de bundel ‘Lucebert verzamelde gedichten’. ‘hij is het die de albatros vangt en kille kelders verliet/hij is blower en wailer noach de zatte kelderrat op de ararat///wie,wie? what’s his name///hoor! hoor nog de levende lucky/met het leven in de dood van pettiford spelen///maar wacht! komt dat alles van zo’n doodgewone muzikant/van een dolfijn van een konijn een vogel en een boom/van een lucky en hun aller leerling hambone?'(bladzijde 477) Het gedicht is nog niet af. Wordt vervolgd.